Verenigingswerk vanaf 1 januari 2022

Sinds 2018 konden verenigingswerkers onbelast bijverdienen tot 6000 euro per jaar. Maar op 1 april 2020 oordeelde het Grondwettelijke Hof dat die zogenaamde ‘bijkluswet’ discriminerend was ten opzichte van werk waar hoge belastingen op geheven wordt. Een tijdelijke regeling zag toen het licht. Vanaf 1 januari 2022 wordt deze regeling vervangen door een systeem dat sommige werkgevers in de sport en socioculturele sector vrijstelt van sociale bijdragen (artikel 17 van het Koninklijk Besluit van 28 november 1969 of de 25-dagen regel). Dit systeem werd uitgebreid om het mogelijk te maken werknemers aan te werven om activiteiten uit te voeren die vroeger onder het verenigingswerk vielen.


Wat verandert er?

  • De verenigingswerker in de sociaal-culturele en amateurkunstensector zal zich gedurende 300 uur betaald kunnen inzetten voor een organisatie. Bij de sportsector is dit opgetrokken tot 450 uur.

  • Ook de fiscale regeling binnen artikel 17 wordt vereenvoudigd. De prestaties die onder deze regeling worden verricht, zijn vrijgesteld van sociale zekerheidsbijdragen. De verenigingswerker zal wel 10 procent inkomstenbelasting moeten betalen.

  • Prestaties in het kader van artikel 17 moeten evenwel nog steeds aangegeven worden via een Dimona aangifte. Sportclubs die nog geen werknemers in dienst hebben, zullen zich kenbaar moeten maken bij de overheid. Hiervoor zal een RSZ nummer moeten aangevraagd worden via een WIDE. Zo zal je een arbeidsovereenkomst moeten opmaken, is de welzijnswetgeving van toepassing en zal je een arbeidsongevallenverzekering moeten afsluiten. Omwille van het bijzondere karakter van het verenigingswerk, voorziet de regering wel in verschillende uitzonderingen. Zo heeft de verenigingswerker geen recht op gewaarborgd loon bij ziekte of ongeval, geen opleidingsrecht en geen recht op loontoeslagen voor avond-, nacht- en zondagsarbeid. Er zijn ook specifieke opzeggingstermijnen bepaald indien de arbeidsovereenkomst vroegtijdig wordt beëindigd.


Aanpassing leeftijdsgrens bedrijfsvoorheffing van 26 naar 23 jaar

  • Vandaag genieten sportbeoefenaars die op 1 januari van het aanslagjaar ten minstens 16 jaar doch jonger dan 26 jaar oud zijn een afwijkende fiscale behandeling van hun bezoldiging. Een maximum van 20.520 euro (= bedrag voor inkomstenjaar 2021) aan bezoldigingen wordt dan belast aan 16,5 procent. Dit is het percentage exclusief opcentiemen.

  • Het ontwerp van programmawet voorziet in een verlaging van deze leeftijd naar 23 jaar, en dit vanaf inkomstenjaar 2022.

  • Er geldt wel een overgangsregeling voor de jonge sportbeoefenaars die op 1 januari 2022; 23, 24 of 25 jaar oud zijn. Voor hen blijft de leeftijdgrens behouden op 26 jaar.

  • De programmawet wijzigt enkel de regels qua eindbelasting, en dus niet de bedrijfsvoorheffing. Voor een aanpassing van de bedrijfsvoorheffingreglementering is nog een koninklijk besluit vereist. Zolang dat niet is gebeurt, blijft de leeftijdsgrens van 26 jaar bijgevolg gelden voor de toepassing van het verlaagde bedrijfsvoorheffingspercentage van 16,66 procent voor jonge sporters.


Bestedingsplicht

  • Het vrijstellingspercentage zakt van 80 naar 75 procent voor de bezoldigingen die vanaf 1 januari 2022 worden toegekend of betaald. Van de op deze bezoldiging ingehouden bedrijfsvoorheffing moet de club bijgevolg 25 procent – en niet 20 procent - doorstorten naar de fiscus;

  • De minimale besteding van de bedrijfsvoorheffing stijgt van 50 naar 55 procent.

  • Voor het overige blijft alles bij het oude. Blijft dus bijvoorbeeld ongewijzigd:

  • de uitgaven die wel/niet in aanmerking komen voor de verplichte besteding;

  • de leeftijdgrens van 26 jaar waarbij er geen verplichte besteding geldt.

Zie door het bos de bomen niet meer na deze uitleg? Contacteer ons, wij helpen je waar nodig! Bekijk ook dit document.



Vrijwilligerswerk indien geen verenigingswerker

Vrijwilligers kunnen nooit betaald worden voor hun prestaties, maar toch kunnen er aan vrijwilligerswerk kosten verbonden zijn. Het is daarom wel mogelijk dat een organisatie de kosten verbonden aan het vrijwilligerswerk terugbetaalt. Om deze kosten terug te betalen aan de vrijwilligers zijn er drie mogelijkheden:

  • De betaling van een forfaitaire kostenvergoeding. Vanaf 1 januari 2022 mogen maximaal de volgende forfaitaire bedragen toegekend worden aan vrijwilligers: maximum € 36,11 per dag en € 1.444,52 per jaar;

  • De vergoeding van de werkelijke kosten;

  • De combinatie van de forfaitaire kostenvergoeding met de werkelijke vervoerskosten. Bij de toepassing van een forfaitaire kostenvergoeding kunnen ook de werkelijke vervoerskosten van de vrijwilliger nog beperkt bijkomend terugbetaald worden aan een tarief van € 0,3707 per kilometer (bedrag van toepassing voor de periode van 1 juli 2021 tot 30 juni 2022). Hiervoor wordt wel een maximum van 2.000 km toegepast, behalve voor vrijwilligers die het regelmatig vervoeren van personen als activiteit hebben.

Het jaarlijks plafond van de forfaitaire kostenvergoeding bedraagt vanaf 1 januari 2022: € 2.652,98 voor de volgende categorieën van vrijwilligers:

  • sporttrainer, sportlesgever, sportcoach, jeugdsportcoördinator, sportscheidsrechter, jurylid, steward, terreinverzorger-materiaalmeester, seingever bij sportwedstrijden;